Praktijk - leergedeelte
| Algemeen |
PB01/PB02/PB03 - Praktijkopdrachten + Project
Deze modulen bevatten het materiaal van het praktijk-leergedeelte. Dit onderdeel - ook wel kortweg ‘praktijk’ genoemd - is gericht op het verwerven van:
-
inzicht in het functioneren van de kerkelijke gemeente;
-
vaardigheden in het uitvoeren van een aantal uiteenlopende werkzaamheden in de kerkelijke gemeente;
-
vaardigheden in het uitvoeren van een beleidsvoorbereidend onderzoek binnen de kerkelijke gemeente.
Het praktijk-leergedeelte is in principe bestemd voor de studenten van de vijfjarige opleiding en het afstandsonderwijs (niveau B).
Studenten die zijn ingeschreven voor een van de tweejarige opleidingen, maar overwegen om daarna voor een volgende tweejarige opleiding in te schrijven met als mogelijk doel uiteindelijk de vijfjarige opleiding af te ronden, wordt aangeraden aan het praktijk-leergedeelte deel te nemen.
Studenten van het afstandsonderwijs, die uiteindelijk aan de eisen van de vijfjarige opleiding willen voldoen, wordt aangeraden om de praktijkopdrachten gelijkmatig te verdelen over de periode dat zij aan het afstandsonderwijs deelnemen.
| Opzet |
De student dient ten aanzien van het praktijk-leergedeelte een aantal opdrachten in de gemeente uit te voeren. Een gedeelte van deze opdrachten is door de school voorgeschreven, een ander gedeelte kan tot op zekere hoogte door de student in samenspraak met de kerkelijke gemeente worden geformuleerd. De werkzaamheden dienen zo gevarieerd mogelijk te zijn en op verschillende niveaus te worden uitgevoerd.
Bij de uitvoering van het praktijk-leergedeelte wordt de student deels begeleid door de school, deels door de kerkelijke gemeente.
Het praktijk-leergedeelte omvat in totaal 40 opdrachten en een project.
In de eerste twintig opdrachten (PB01) houdt de student zich uitsluitend bezig met het verwerven van inzicht in het functioneren van de gemeente: dit is de observatiefase.
In de volgende twintig opdrachten (PB02) wordt de aandacht verlegd naar het verwerven van vaardigheden in het uitvoeren van een aantal uiteenlopende werkzaamheden in de kerkelijke gemeente: dit is de participatiefase.
In de laatste fase van het praktijk-leergedeelte ten slotte (PB03), zijn de activiteiten uitsluitend gericht op het verwerven van vaardigheden in het uitvoeren van een beleidsvoorbereidend onderzoek binnen de kerkelijke gemeente (facultatief in het specialisatieproject).
Specialisaties. De ETA stelt zich ten doel om haar studenten op te leiden voor het beroep van gemeentewerker, evangelist of pastoraal werker. Daarnaast is het voor de student mogelijk om zich, middels afspraken met de CHE/ETH voor te bereiden op werkzaamheden op het gebied van jeugdwerk, zending, onderwijs. De studiebelasting die hiermee is gemoeid, wordt niet door de ETA, maar door de betreffende school ingevuld. Van deze studenten wordt evenwel verwacht dat zij het praktijk-leergedeelte van de ETA zullen volgen tot en met opdracht 35.
Voor studenten die kiezen voor de specialisatie 'jeugdwerk', 'zendingswerk’ of ‘godsdienstonderwijs’ wordt dit onderdeel ingevuld door de ETH.
| Uitgangspunten |
Gavegericht werken. Het praktijk-leergedeelte is gebouwd op het principe dat de student niet opgeleid dient te worden tot een gemeentewerker die alles maar moet kunnen, maar daarentegen in de gelegenheid gesteld moet worden om zijn/haar door God gegeven talenten te ontdekken en verder te ontwikkelen. Aan de andere kant mag van de gemeentewerker ook verwacht worden dat hij/zij op de hoogte is van wat zich binnen een gemeente afspeelt. Vandaar dat er gezocht is naar een balans tussen het opdoen van vaardigheden en het verwerven van inzicht. De student hoeft niet alles te kunnen, maar dient wel zo breed mogelijk geïnformeerd te zijn.
Gemeente. De confrontatie met de praktijk, zoals deze dient plaats te vinden in een beroepsopleiding, is slechts mogelijk met medewerking van de gemeente en de daarin werkzame ervaren krachten. De gemeente is in principe de plaats waar gelovigen worden gevoed en van waaruit zij worden ingezet voor dienstbetoon aan het Koninkrijk van God. De school wil dit principe graag in ere houden en de kadertraining daarom (indien mogelijk) laten plaatsvinden waar zij hoort: in de eigen gemeente.
Wij respecteren de voorgangers in hun deskundigheden en hopen dat zij bereid zijn om in het praktijk-leergedeelte de rol van praktijkbegeleider te vervullen (dit is alleen van toepassing voor (1) studenten die voor de vijfjarige opleiding zijn ingeschreven, (2) studenten die, na afronding van een tweejarige opleiding, voor een andere tweejarige opleiding inschrijven en (3) studenten van het afstandsonderwijs, niveau B). Uiteraard staat het de praktijkbegeleider daarbij vrij om een aantal van zijn taken geheel of gedeeltelijk te delegeren aan een daartoe bekwaam medewerker van de gemeente. (De enige beperking die in deze wordt opgelegd, is dat voor de begeleiding van de student geen familielid mag worden aangewezen).
De gemeente dient de student te beschouwen als lerend werker, waarin zowel het mogen leren als het moeten werken min of meer in evenwicht dienen te zijn.
School. Om het praktijk-leergedeelte zo goed mogelijk te doen verlopen is door de school een praktijkcoördinator aangesteld. Deze functionaris heeft tot taak om alles wat betrekking heeft op het praktijk-leergedeelte zo goed mogelijk te laten gebeuren. Hij is verantwoordelijk voor het beleid, maar dient ook een oplossing te vinden voor praktische problemen die zich al werkende voordoen. Zowel studenten als praktijkbegeleiders kunnen zich tot hem wenden om hulp en/of advies met betrekking tot het praktijk-leergedeelte.
Begeleiding. Het praktijk-leergedeelte is een leersituatie, waarin de theorie wordt geïntegreerd in de dagelijkse praktijk van het werken in het Koninkrijk van God. Daarbij dient de student te worden begeleid bij het behalen van de volgende doelstellingen:
-
Bij afronding van de eerste twintig opdrachten heeft de student zich een goed inzicht in het functioneren van de kerkelijke gemeente gevormd. De begeleiding bij deze opdrachten wordt geboden door docenten van de school.
-
Bij afrondinging van de volgende twintig opdrachten kan de student als beginnend beroepsbeoefenaar op middenkaderniveau functioneren. De begeleiding bij deze opdrachten wordt geboden door de praktijkbegeleider van de kerkelijke gemeente.
-
Bij afronding van het project kan de student als zelfstandig beroepsbeoefenaar op leidinggevend niveau functioneren. De begeleiding gedurende het project wordt geboden door de docenten van de school en de praktijkbegeleider van de kerkelijke gemeente.
Beroepsprofiel. Een leidinggevend beroepsbeoefenaar is iemand, die na een redelijke inwerkperiode het werk in de gemeente zelfstandig en adequaat aankan. Zelfstandig wil zeggen: de werker neemt het initiatief bij de uitvoering van het werk en hem hoeft niet voortdurend gezegd te worden wat hij moet doen. Adequaat wil zeggen: de werker is in staat vanuit zijn/haar deskundigheid als gemeentewerker (brede zin) op de juiste wijze gestalte te geven aan de taak en plaats van de leidinggevende in de gemeente, dan wel met zijn of haar gave volwaardig op dit niveau te functioneren. Daartoe zal de student zich, door het verrichten van praktische werkzaamheden in de gemeente, de beroepshouding moeten eigen maken, die vereist is om zelfstandig en adequaat en in het geheel van de gemeente te kunnen functioneren.
| Duur en studiebelasting |
De duur van het praktijk-leergedeelte bedraagt in principe vier jaar (PB03 kan facultatief in het 5e jaar plaatsvinden). De totale studiebelasting van het praktijk-leergedeelte bedraagt 36 ec. De verdeling hiervan ziet er als volgt uit:
-
Oriëntatie: 12 ec
(20 opdrachten), -
Vaardigheidstraining: 12 ec
(20 opdrachten), -
Specialisatieproject: 12 ec
terug